Een oprichter is al enkele maanden ziek. Haar partner onderhoudt de contacten met klanten en stuurt het personeel aan, terwijl zij nog steeds bankbetalingen goedkeurt, met de accountant overlegt en de grotere contracten ondertekent. De omzet schommelt, de liquiditeit is krap en dan ligt de voor de hand liggende vraag op tafel: kan de bv haar salarisverlagen?
Het antwoord staat in het gebruikelijkloonregime van de Belastingdienst voor 2026. Voor een directeur-grootaandeelhouder, de dga, wordt het salaris in het algemeen vastgesteld op het hoogste van drie bedragen: het loon voor de meest vergelijkbare dienstbetrekking, het loon van de werknemer met het hoogste salaris binnen de vennootschap of een verbonden vennootschap, en €58.000.
Dat laatste bedrag trekt de aandacht. Maar de wezenlijke vraag gaat over het werk dat erachter zit.
De functie is belangrijker dan het etiket
Het bedrag van €58.000 is geen rekening die losstaat van de werkelijkheid, maar ook geen veilige uitkomst waarmee de discussie is gesloten. Een lager salaris kan passen als de vennootschap aannemelijk maakt dat een vergelijkbare dienstbetrekking minder zou opleveren. Het Handboek Loonheffingen 2026 maakt bovendien duidelijk dat zowel de omvang als de duur van het werk ertoe doen.
Daarom kan parttime werken een lager bedrag ondersteunen, maar het woord ‘parttime’ draagt die onderbouwing niet alleen. Twee dagen met routinematige administratie zijn iets anders dan twee dagen waarin iemand de eindverantwoordelijkheid draagt voor financiën, personeel, contracten en fiscale zaken. Het aantal uren telt, maar ook verantwoordelijkheid en beslissingsmacht.
De oude doelmatigheidsmarge van 75 procent ontbreekt sinds 2023. De vergelijking wordt nu gemaakt met het volledige salaris voor de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Daarmee wordt de keuze van de vergelijking belangrijk. Een oprichter kan niet simpelweg een bescheiden administratieve functie aanwijzen als het feitelijke werk meer lijkt op financieel management of algemene leiding.
Ik zie dit als een nuttige correctie op de manier waarop kleine ondernemingen vaak over het dgasalaris praten. Het gesprek begint meestal bij het beschikbare geld. De fiscale vraag begint ergens anders: welk werk is verricht, wie droeg het risico en wat zou een onafhankelijke werkgever voor die functie betalen?
Familieverhoudingen vragen om een helder verhaal
Ga terug naar de oprichter van wie de partner de dagelijkse leiding heeft overgenomen. Die afspraak kan volkomen reëel zijn. Ziekte, zorgtaken of een moeilijke handelsperiode kunnen de manier waarop een onderneming werkt snel veranderen. Kleine familiebedrijven herschrijven zelden iedere rol zodra het leven ingrijpt.
Toch moet de onderneming duidelijk kunnen uitleggen wat er is veranderd. Wie stuurt het personeel aan? Wie bepaalt de prijzen? Wie beheert de bankrekening? Wie treedt namens de onderneming naar buiten? Voor welke beslissingen is nog goedkeuring van de oprichter nodig? Minder aanwezigheid betekent niet automatisch een kleinere rol.
De checklist van de Belastingdienst voor vooroverleg over het gebruikelijk loon laat zien welk detailniveau van belang is. Daarin wordt gevraagd naar concrete werkzaamheden, werktijd, ervaring, verantwoordelijkheid voor de leiding, omvang van de onderneming, complexiteit, eindverantwoordelijkheid en vergelijkbare beloning buiten de onderneming. Ook wordt gekeken naar het hoogste salaris binnen de vennootschap of de verbonden groep.
Dat groepsperspectief kan oprichters met een holding-bv en een werk-bv verrassen. Informele scheidslijnen tussen vennootschappen beschrijven niet per se de contractuele en arbeidsrechtelijke werkelijkheid. Een managementvergoeding, salarisboeking of familieafspraak beslist de kwestie niet zelfstandig. De overeenkomsten, het feitelijke werk en de salarisverwerking moeten dezelfde richting op wijzen.
Krappe liquiditeit is een andere vraag
Een lager dgasalaris kan op korte termijn verlichting voor de liquiditeit lijken. Dat is commercieel begrijpelijk, zeker na tegenvallende verkopen of een langdurige herstelperiode. Maar geldgebrek verandert niet automatisch de waarde van het verrichte werk.
Het Handboek 2026 maakt onderscheid tussen een reële bedreiging van de continuïteit en een incidenteel verlies of tijdelijk tekort terwijl de rekeningen nog kunnen worden betaald. Ook wordt gekeken naar geld dat via dividend, rekening-courantverhoudingen met de aandeelhouder of andere onttrekkingen naar de aandeelhouder vloeit. Een onderneming zal moeilijk kunnen uitleggen dat het salaris onbetaalbaar was als er langs een andere route wel geld bij de aandeelhouder terechtkwam.
Daar komt een timingrisico bij. Als het feitelijk betaalde salaris lager is dan het bedrag dat later als gebruikelijk wordt aangemerkt, moet het verschil mogelijk als fictief loon in de loonadministratie worden verwerkt. Dan kan loonheffing ontstaan zonder dat de bv daar evenveel geld voor heeft gereserveerd. Wat gedurende het jaar een oplossing voor de liquiditeit leek, kan na afloop een loonheffingsrekening worden, terwijl de commerciële beslissingen al zijn genomen.
Daarom zou ik het salaris naast de maandelijkse liquiditeitsprognose bespreken en niet pas bij het opstellen van de jaarrekening. Het gaat niet om papierwerk om het papierwerk. Het gaat erom de fiscale en financiële gevolgen te zien op het moment dat de onderneming nog kan bijsturen.
Zorg dat het ondernemingsverhaal klopt
Voor een kleine bv begint een verstandige beoordeling met één nuchtere beschrijving van de feitelijke rol van de oprichter. Daarin kunnen operationeel werk, financieel toezicht, personeelsbeslissingen, het contact met de Belastingdienst en de formele vertegenwoordiging afzonderlijk worden benoemd. Een inschatting van dagen of uren maakt die beschrijving sterker, zeker als de werkzaamheden verschillende verbonden vennootschappen raken.
Ook de externe vergelijking verdient zorg. De functiebenaming die het meest voor de hand ligt, is niet altijd de beste vergelijking. Sector, verantwoordelijkheid, werktijd, ervaring en eindverantwoordelijkheid kunnen tot een andere uitkomst leiden. Ook de salarissen elders binnen de verbonden groep horen in beeld te komen, waaronder die van andere werknemers met een aanmerkelijk belang als aan de officiële voorwaarden is voldaan.
De oprichter uit het begin kan een goede grond hebben voor een lager salaris. Haar kortere werktijd, overgedragen taken en gewijzigde bevoegdheden kunnen dat ondersteunen. Maar die conclusie moet volgen uit de dagelijkse werkelijkheid, niet alleen uit het banksaldo. De loonadministratie, bedrijfsdossiers, contracten en feitelijke gang van zaken moeten één herkenbaar verhaal vertellen.
Het Nederlandse gebruikelijk loon gaat uiteindelijk over de manier waarop de bv wordt bestuurd. Verandert de rol van de oprichter, dan kan het salaris mee veranderen. De rustige aanpak is om die verandering vast te leggen terwijl zij zich voordoet, de vergelijking eerlijk te maken en het bedrag het werk te laten volgen.
Wilt u bespreken wat dit betekent voor uw bedrijf?
De data, bronnen en analyse achter dit artikel zijn uitgevoerd door Linda Pavan. AI is niet gebruikt om bronnen te identificeren, de feitelijke basis op te bouwen of het analytische oordeel in dit artikel te vormen. AI is alleen gebruikt als hulpmiddel bij het opstellen. De definitieve Nederlandse tekst is persoonlijk nagekeken, geredigeerd en goedgekeurd door Linda Pavan voor publicatie.
