Een ondernemer kijkt naar drie cijfers: de loonbetaling van volgende maand, het banksaldo van de bv en de waarde van een privébeleggingsportefeuille. Op papier is er genoeg geld. Maar elk bedrag valt onder een andere fiscale, juridische en huishoudelijke werkelijkheid. Geld van de ene naar de andere plek halen kan het tekort van vandaag oplossen, maar de rekening van morgen veroorzaken.
De politieke discussie in juli over hogere vermogensbelasting als alternatief voor bezuinigingen op de sociale zekerheid maakte die spanning zichtbaar. Tijdens een persconferentie op 10 juli zei de minister-president dat zo’n wijziging buiten het coalitieakkoord valt en steun van alle coalitiepartijen vereist.
Voor ondernemers ligt het directe werk dichter bij huis. Box 3 vraagt om een vollediger privé-dossier, terwijl loon- en socialezekerheidskosten oplopen. Privévermogen en de loonbetaling van de onderneming blijven gescheiden. Maar ze moeten wel in hetzelfde liquiditeitsbeeld worden begrepen.
Drie percentages, drie posities
Voor 2026 hanteert de Belastingdienst forfaitaire rendementen van 1,28% voor banktegoeden en contant geld, 6,00% voor beleggingen en overige bezittingen, en 2,70% voor schulden. De box 3-berekening hangt dus af van wat iemand bezit en verschuldigd is. Een euro spaargeld heeft een ander fiscaal profiel dan een euro in effecten.
Dat is relevant wanneer ondernemers hun privévermogen beschrijven als reserve voor de onderneming. Neem de eigenaar van een schoonmaakbedrijf met acht werknemers. Zij heeft geld in de bv, een privébeleggingsrekening en huishoudelijk spaargeld. In een moeilijke maand lijken alle drie beschikbaar. Slechts één daarvan is al geld van de onderneming.
De route via het werkelijk rendement voegt nog een laag toe. In de aangifte inkomstenbelasting 2025 kunnen belastingplichtigen het werkelijke rendement in box 3 opgeven als dat lager is dan het forfaitaire rendement. De berekening omvat de volledige relevante positie, inclusief inkomsten, waardeveranderingen, bezittingen en schulden. Het heffingsvrije vermogen geldt niet en een negatief werkelijk rendement kan niet naar een ander jaar worden doorgeschoven.
Daarmee wordt de kwaliteit van de administratie een praktisch ondernemersvraagstuk. Bankafschriften, beleggingsoverzichten, schuldenoverzichten, vastgoedgegevens en eigendomsinformatie moeten één consistent verhaal vertellen. Een privé-aangiftedossier dat op losse herinneringen rust, kost veel tijd zodra de cijfers opnieuw moeten worden opgebouwd.
Vermogen op papier is geen geld
Het kabinet wil vanaf 1 januari 2028 heffen over het werkelijke rendement in box 3. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel in februari 2026 aan; de Eerste Kamer moet het nog behandelen. Het voorstel ziet voor veel vermogensbestanddelen op rente, dividend, huur, pachtinkomsten en jaarlijkse waardeveranderingen.
Voor vastgoed en aandelen in startups en scale-ups zou een vermogenswinststelsel gelden, waarbij belasting wordt geheven over gerealiseerde winst of verlies. Het ontwerp erkent een eenvoudig liquiditeitsfeit: een bezit kan in waarde stijgen zonder geld op te leveren voor de belastingaanslag.
De brief van 6 maart 2026 over een mogelijke minimumbelasting van 2% op vermogen voor zeer vermogenden hoort in hetzelfde vooruitblikvak. In een actuele prognose horen die discussie en het voorgestelde stelsel voor 2028 in een scenariokolom, niet op de regel met verschuldigde belasting.
Een ondernemer kan de richting van de vermogensbelasting volgen en tegelijk een dringendere vraag stellen: welk privégeld is er, welk inkomen levert het op, welke stukken onderbouwen de cijfers en hoeveel daarvan kan worden ingezet zonder het huishouden te verzwakken?
De loondruk is al gearriveerd
Werkgeverskosten geven een directer signaal voor de begroting. UWV verwacht dat de uitgaven aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen stijgen van €18,9 miljard in 2025 naar €20,4 miljard in 2026 en €22,0 miljard in 2027. De WW-uitgaven stijgen naar verwachting van €4,0 miljard in 2025 naar €5,1 miljard in 2027.
Voor 2027 verwacht UWV een gemiddelde WGA-premie van 1,07%, een stijging van 0,11 procentpunt. De gemiddelde Ziektewetpremie stijgt naar verwachting met 0,04 procentpunt naar 0,60% van het premieplichtige loon. De uiteindelijke positie verschilt nog altijd per omvang van de werkgever, sector, schadeverleden en eigenrisicodragerschap.
Ook de ondergrens van de lonen is opgeschoven. Per 1 juli 2026 steeg het afgeleide minimumuurloon bij een 36-urige werkweek van €14,71 naar €14,99. Een paar cent lijkt op zichzelf bescheiden. Over alle betaalde uren, vakantiegeld en meerdere werknemers verdient het een degelijke berekening op jaarbasis.
Onze ondernemer met het schoonmaakbedrijf ziet nu beide kanten van het liquiditeitsvraagstuk. De loonbetaling vraagt om meer ruimte, maar klanten kunnen hogere prijzen afwijzen. CBS meldde aan het begin van het tweede kwartaal van 2026 een ondernemersvertrouwen van -14,8. Bijna één op de vijf bedrijven noemde onvoldoende vraag als belangrijkste belemmering. Kosten doorberekenen is geen automatisme.
Twee blikken, één eerlijk beeld
Een degelijke liquiditeitsprognose zet de liquiditeit van de onderneming en die van de eigenaar naast elkaar, zonder ze te vermengen. Het bedrijfsbeeld omvat lonen, werkgeverspremies, btw, vennootschapsbelasting, leveranciers, debiteuren en voorgenomen investeringen. Het privébeeld omvat spaargeld, beleggingen, schulden, huishoudelijke verplichtingen, verwachte dividenden en de administratie achter box 3.
De verbinding tussen die twee beelden vraagt om zorgvuldige governance. Een lening van de aandeelhouder, dividenduitkering of privébetaling van een bedrijfsfactuur mag niet maanden later als onverklaarde mutatie opduiken. Als geld krap is, laat een schone rekening-courantverhouding met de dga en tijdige vastlegging zien of de onderneming steun krijgt of slechts tijdelijk wordt opgelapt.
Werkgevers die overwegen eigenrisicodrager voor de WGA of Ziektewet te worden, hebben tot 1 oktober 2026 de tijd om die status te beginnen of te beëindigen. De keuze gaat over meer dan alleen de nominale premies. Schadeverleden, verzekeringsvoorwaarden, administratie en de capaciteit om langdurig verzuim te begeleiden zijn minstens zo belangrijk.
Het debat over vermogen en sociale zekerheid kan tijdens het begrotingsseizoen doorgaan. Ondernemers hoeven de uitkomst niet te voorspellen. Ze moeten wel weten welk geld van de onderneming is, welk geld van het huishouden is en welk vermogen vooral op papier bestaat.
Die helderheid neemt de belasting- of loondruk niet weg. Ze doet iets nuttigers: voorkomen dat één pot geld tegelijk twee problemen moet oplossen.
Wilt u zicht op uw privégeld, bedrijfsliquiditeit en loonbudget? Wij helpen u een bruikbare prognose op te zetten
De data, bronnen en analyse achter dit artikel zijn uitgevoerd door Linda Pavan. AI is niet gebruikt om bronnen te identificeren, de feitelijke basis op te bouwen of het analytische oordeel in dit artikel te vormen. AI is alleen gebruikt als hulpmiddel bij het opstellen. De definitieve Nederlandse tekst is persoonlijk nagekeken, geredigeerd en goedgekeurd door Linda Pavan voor publicatie.
Bronnen
- 'Hogere belasting op vermogen in plaats van bezuinigingen op sociale zekerheid' · Salaris Vanmorgen
- Belastingdienst - Current 2026 taxation of private wealth in box 3
- Belastingdienst - Box 3 counter-evidence and record requirements
- Rijksoverheid - Planned box 3 system from 2028
- Rijksoverheid - Minimum wealth-tax policy exploration
- UWV - Social-security expenditure pressure
- UWV - Employer premium pressure for 2027
- Rijksoverheid - Current adjustment of benefits and minimum wage
