Bij erfbelasting kan de formulering van een tijdelijk woonrecht zwaarder wegen dan de feitelijke duur ervan.
Een vader wil zijn volwassen kind wat tijd geven. Het kind woont dicht bij het familiebedrijf, misschien in een huis op hetzelfde erf. Meteen na een overlijden verhuizen zou onnodige onrust veroorzaken. Daarom bepaalt het testament dat het kind nog een jaar mag blijven.
Aan de keukentafel klinkt dat eenvoudig. Voor de erfbelasting kan er echter een veel preciezere regeling achter schuilgaan.
Volgens de richtlijnen van de Belastingdienst wordt een tijdelijk recht om een woning te gebruiken gewaardeerd op basis van de volledige juridische vormgeving. De duur telt mee, maar ook voorwaarden voor eerdere beëindiging, de leeftijd van de gerechtigde, de waarde van de woning en de verplichtingen die aan het recht zijn verbonden.
Dat is een waarschuwing tegen achteloze precisie. ‘Eén jaar’ klinkt exact, maar kan slechts een deel van de regeling beschrijven.
De bepaling geeft meer dan alleen tijd
Stel dat het testament het kind twaalf maanden woonrecht geeft, maar bepaalt dat dit recht eerder eindigt wanneer het kind overlijdt. Die voorwaarde doet ertoe. De Belastingdienst maakt onderscheid tussen een vaste, bekende looptijd en een looptijd die mede afhankelijk is van het leven van een of meer personen.
Voor de erf- en schenkbelastingwordt de jaarlijkse waarde van vruchtgebruik van een woning of ander vermogensbestanddeel gesteld op 6 procent van de volle waarde. Vervolgens zet een voorgeschreven factor dat jaarbedrag om in de fiscale waarde van het recht.
In de eerste vijf jaar van een recht met een bekende looptijd dat afhankelijk is van één leven, bedraagt de factor 0,75 wanneer die persoon 60 jaar of ouder is. Voor een recht dat niet van het leven van die persoon afhankelijk is, geldt de factor 0,85.
Een recht dat na het overlijden van de gerechtigde overgaat op diens erfgenamen, valt volgens de huidige richtlijnen in die laatste categorie. Het praktische verschil zit in een paar woorden. Eindigt het recht bij overlijden, of kan iemand anders de resterende maanden erven?
Voor een familie lijkt het verschil misschien klein. Beide regelingen bieden tijdelijk onderdak. De fiscale berekening waardeert echter twee verschillende rechten.
Begin met de juiste waarde
Voordat het percentage van 6 procent of een factor wordt toegepast, moet de nalatenschap uitgaan van de juiste woningwaarde. Bij een woning die in 2026 wordt geërfd, mag de belastingplichtige doorgaans kiezen voor de laagste van de WOZ-waarde voor 2026, met waardepeildatum 1 januari 2025, en de WOZ-waarde voor 2027, met waardepeildatum 1 januari 2026, zodra die latere waarde beschikbaar is.
Komt de WOZ-beschikking voor 2027 pas na de aangifte en blijkt de waarde lager, dan kan volgens de Belastingdienst alsnog bezwaar worden gemaakt, ook nadat de gewone bezwaartermijn van zes weken is verstreken. Voor een woning die vóór het overlijden ingrijpend is gewijzigd, kan een andere waarderingsroute nodig zijn.
Hier verandert het beeld binnen de familie. Het kind kan nog verhuisdozen aan het inpakken zijn, terwijl de andere erfgenamen al over verkoop praten. Hypotheeklasten, verzekeringen en gemeentelijke heffingen lopen door. De fiscale waarde van de nalatenschap hangt af van data en documenten waaraan niemand dacht toen het testament werd ondertekend.
Voor een kind, stiefkind of pleegkind bedraagt de vrijstelling voor de erfbelasting in 2026 € 26.230. Over de verkrijging boven de toepasselijke vrijstelling is belasting verschuldigd. Een verschil in WOZ-waarde of in de toe te passen factor kan daardoor rechtstreeks doorwerken in het belastbare bedrag, vooral wanneer het kind ook spaargeld, aandelen of een ander legaat ontvangt.
Het woonrecht is daarmee meer dan een kleine bijlage bij de nalatenschap. In een ondernemersfamilie kan de woning naast een werkplaats, boerderij, hotel of bedrijfspand staan. Bewoning, bedrijfscontinuïteit en het moment van verkoop kunnen dan snel met elkaar verweven raken.
Rekeningen vragen om namen, data en redenen
Families spreken vaak af dat degene die in de woning blijft ‘de rekeningen’ betaalt. Dat kan redelijk voelen, maar ‘de rekeningen’ is geen fiscale categorie.
De hypotheekschuld die op de overlijdensdatum bestaat, is iets anders dan hypotheekrente die daarna ontstaat. Gemeentelijke heffingen kunnen betrekking hebben op eigendom, gebruik of verschillende tijdvakken. Een verzekering kan het gebouw, de inboedel of beide dekken. Onderhoud kan bedoeld zijn om een goed van de nalatenschap te behouden, maar ook voortkomen uit persoonlijke keuzes van de bewoner.
Volgens de richtlijnen van de Belastingdienst wordt de erfenis berekend als bezittingen minus schulden. Een schuld die volgens het testament aan een bepaalde verkrijging is verbonden, kan verminderen wat die erfgenaam of legataris ontvangt. Bij hypotheken en andere leningen kan de tot de overlijdensdatum opgebouwde, nog niet betaalde rente onderdeel zijn van de schuld.
Een zorgvuldige boedeladministratie rubriceert iedere betaling naar juridische aansprakelijkheid, tijdvak en doel. Een bankafschrift laat zien dat geld is overgemaakt. Uit het boedeldossier moet daarnaast blijken waarom die betaling thuishoort in een bepaald deel van de berekening.
Dat onderscheid beschermt ook de familieverhoudingen. Als de ene erfgenaam de opstalverzekering betaalt en de andere dringende reparaties, kunnen zij later allebei vinden dat zij kosten van de nalatenschap hebben gedragen. Met een duidelijke administratie kunnen vergoeding, fiscale behandeling en uiteindelijke verdeling als afzonderlijke kwesties worden besproken.
Benut de extra tijd goed
Bij overlijdens in 2026 vermeldt de aangiftebrief voor de erfbelasting een termijn van 20 maanden na het overlijden. Vanaf dat moment kan belastingrente ontstaan, ook als uitstel is verleend. De ruimere termijn kan een familie de gelegenheid geven om de WOZ-waarde van het volgende jaar af te wachten en stukken over hypotheek, verzekeringen en gemeentelijke heffingen te verzamelen.
Dat maakt afwachten nog niet verstandig. Herinneringen vervagen, facturen raken verspreid en informele afspraken groeien uit tot tegenstrijdige lezingen. Het nuttige werk begint bij de tekst van het testament, gevolgd door de beëindigingsvoorwaarden, de relevante WOZ-beschikkingen, openstaande schulden en een gedateerd overzicht van de woningkosten.
Terug in het familiehuis blijft de oorspronkelijke bedoeling fatsoenlijk en begrijpelijk: iemand tijd geven om te rouwen, te verhuizen en de continuïteit te bewaren. De fiscale druk ontstaat niet doordat die bedoeling verkeerd was. Zij ontstaat wanneer familietaal de financiële uitwerking onbesproken laat.
Een tijdelijk recht kan werkelijk ademruimte geven. Het werkt het best wanneer het testament, de woningdocumentatie en de beschikbare liquide middelen hetzelfde verhaal vertellen.
Als een testament een tijdelijk gebruiksrecht op een woning verleent, kan een zorgvuldige toetsing de formulering, waardering en kostenverdeling op elkaar afstemmen.
De data, bronnen en analyse achter dit artikel zijn uitgevoerd door Linda Pavan Geraedts. AI is niet gebruikt om bronnen te identificeren, de feitelijke basis op te bouwen of het analytische oordeel te vormen. AI is alleen gebruikt als schrijfhulp. De uiteindelijke Nederlandse tekst is persoonlijk beoordeeld, bewerkt en goedgekeurd door Linda Pavan Geraedts vóór publicatie.
Bronnen
- Kapitalisatiefactor geldt ook bij tijdelijk vruchtgebruik - Taxence
- Belastingdienst - Valuation of a temporary usufruct or right of use that may end on death
- Belastingdienst - WOZ value and the valuation base for an inherited home
- Belastingdienst - 2026 inheritance-tax exemptions and the effect of valuation disputes
- Belastingdienst - Filing timetable and evidence horizon for deaths in 2026
- Rechtspraak
- Belastingdienst - Tax interest on an inheritance-tax assessment
