Stel: een klein installatiebedrijf vervangt voor het einde van het jaar drie leaseauto’s. De eigenaar vergelijkt maandtarieven, laadmogelijkheden en de voorkeuren van medewerkers. Eén plug-inhybride lijkt een verstandig compromis. Het contract wordt in december getekend en iedereen gaat ervan uit dat fiscaal nog het oude wagenpark geldt.
That assumption may be expensive.
Under the enacted 2026 Tax Plan, employers face a 12 per cent pseudo-final payroll levy from 1 January 2027 when they make a qualifying passenger car available for private use. Commuting counts as private use. The legal definition also reaches hybrids and plug-in hybrids when the vehicle register shows CO2 emissions above zero grams per kilometre.
De heffing hangt dus af van de classificatie, de daadwerkelijke terbeschikkingstelling en de onderbouwing in de loonadministratie. Het is niet simpelweg een extra last voor auto’sop benzine en diesel.
De aflevering weegt zwaarder dan de handtekening
Het overgangsrecht beschermt auto’s die vóór 1 januari 2027 door de werkgever voor het eerst aan een of meer werknemers ter beschikking zijn gesteld. Die bescherming loopt tot en met 17 september 2030.
Het sleutelwoord is ‘ter beschikking gesteld’. Een orderbevestiging uit december 2026 bewijst niet dat de werknemer de auto in december kon gebruiken. Ook een leaseovereenkomst in een mailbox heeft weinig betekenis zolang de auto nog bij de dealer staat.
Voor het installatiebedrijf draait de praktijkvraag daarom om het moment waarop iedere werknemer de auto kreeg en ermee kon gaan rijden. Een ondertekende gebruikersovereenkomst, afleverdocument, sleuteloverdracht en loonmutatie zouden hetzelfde verhaal moeten vertellen.
Ik lees hierin vooral een waarschuwing tegen fiscale etiketten. ‘Oud contract’, ‘hybride wagenpark’ en ‘vóór 2027 besteld’ klinken in een overleg misschien overtuigend, maar de wet kijkt naar preciezere feiten.
Diezelfde nauwkeurigheid is nodig wanneer auto’s tussen werknemers of gelieerde vennootschappen worden overgedragen. In het leaseportaal kan het wagenpark onveranderd lijken, terwijl de personeels- en loonadministratie intussen iets anders laat zien. Een duurzaamheidsbeleid vervangt geen duidelijke historie van wie welke auto vanaf welke datum ter beschikking had.
De maandelijkse leaseprijs is niet de heffingsgrondslag
De heffing van 12 procent wordt berekend over de wettelijke waarde van de auto. Voor auto’s die niet ouder zijn dan 25 jaar betekent dat doorgaans de catalogusprijs plus bpm. Voor oudere kwalificerende auto’s geldt de waarde in het economische verkeer.
Dat onderscheid kan een ogenschijnlijk bescheiden leasevoorstel duurder maken dan verwacht. Bij een relevante wettelijke waarde van € 45.000 bedraagt de heffing op jaarbasis € 5.400. De werkgever betaalt die heffing. Zij komt boven op de gewone bijtelling van de werknemer en vervangt die niet.
Een auto die gedurende een deel van een maand ter beschikking wordt gesteld, telt voor de hele maand mee. Afleverdata aan het einde van de maand kunnen daardoor een groter fiscaal effect hebben dan de kalender op het eerste gezicht doet vermoeden.
De regeling ziet op personenauto’s. In gemengde wagenparken is een zorgvuldige kwalificatie daarom noodzakelijk. Een onderneming moet niet aannemen dat alles wat in de volksmond een bestelbus heet, buiten de regeling valt. De geregistreerde voertuigcategorie en de CO2-gegevens zijn belangrijker dan het dagelijkse taalgebruik. Ook sommige personenbusjes en bijzondere personenauto’s kunnen onder de regels vallen.
Hier moet op het vergelijkingsvel van de eigenaar dus een extra kolom komen. De werkelijke keuze is niet alleen elektrisch tegenover hybride, of leaseprijs tegenover brandstofkosten. Het gaat om de totale werkgeverslasten in verhouding tot het werk dat de auto moet doen.
Kosten in 2027, betaling in 2028
De jaarlijkse heffing wordt doorgaans aangegeven en betaald via het tweede tijdvak van de loonheffingen van het daaropvolgende kalenderjaar. Een wagenparkbeslissing uit 2027 kan dus in 2028 tot een betaling leiden.
Die vertraging kan voelen als uitstel van executie. Juist daarom is een strakke planning nodig: de operationele beslissing en de betaling verlaten de bankrekening in verschillende jaren.
De onderneming kan in 2027 auto’s vernieuwen, kosten voor laadvoorzieningen maken en bestaande leasecontracten afwikkelen. De bijbehorende loonheffing kan vervolgens komen nadat het management de wagenparkbeslissing al als afgerond beschouwde. Zonder prognose brengt 2028 een rekening mee die door eerdere mobiliteitskeuzes is ontstaan.
Dat is vooral relevant voor kleinere werkgevers. Het CBS meldde in juli 2026 dat financiële beperkingen de meest genoemde belemmering waren bij bedrijven die moeite hadden te investeren in klimaatneutrale bedrijfsvoering. Ook beperkingen op het energienet bleven een belangrijke hindernis. Een onderneming kan oprecht willen elektrificeren, maar tegelijk onvoldoende laadcapaciteit hebben op het bedrijfsterrein of bij de woningen van werknemers.
De fiscale regeling komt boven op die beperkingen. Het management moet beide werkelijkheden tegelijk onder ogen zien.
Breng auto, werknemer en loonadministratie bij elkaar
De verstandige reactie is niet een overhaaste vervanging van het wagenpark, uitsluitend ingegeven door de fiscaliteit. Nodig is een samenhangende beoordeling voordat contracten en afleveringen feiten creëren die nog maar moeilijk zijn terug te draaien.
Per personenauto moet de onderneming de geregistreerde CO2-uitstoot, de wettelijke waarde, de huidige gebruiker, de afspraken over privégebruik en de eerste datum van terbeschikkingstelling kennen. De loonadministratie moet weten wanneer een auto van gebruiker wisselt. Finance moet de verwachte heffing zien voordat die het jaar erop als financiële verrassing opduikt. Arbeidsovereenkomsten moeten duidelijk maken of woon-werkverkeer en ander privégebruik zijn toegestaan.
De landelijke aantallen laten zien waarom losse categorieën riskant zijn. Op 1 januari 2026 telde het CBS in Nederland 804.962 hybrides en 523.773 plug-inhybrides. Beide categorieën hebben een verbrandingsmotor en vallen binnen deze fiscale definitie aan de kant van voertuigen met een uitstoot van meer dan nul gram. Een auto kan als geëlektrificeerd worden verkocht en toch onder de heffing vallen.
Terug naar het installatiebedrijf. De beslissing in december ziet er nu anders uit. De eigenaar kan nog steeds voor de plug-inhybride kiezen, omdat de routes, laadmogelijkheden en bereikbaarheid van klanten dat bedrijfsmatig de beste optie maken. Dan moet de onderneming de werkgeversheffing meenemen, de afleverdatum vastleggen en de latere betaling opnemen in het liquiditeitsbeeld.
Dat is de bredere les. Een auto van de zaak is niet langer alleen een leasefactuur en een vraag over de bijtelling van de werknemer. Vanaf 2027 verbindt één beslissing de voertuigregistratie, arbeidsvoorwaarden, loonheffingen en de liquiditeit van het volgende jaar.
De rustige aanpak is niet op jacht gaan naar het goedkoopste etiket. Het is precies weten welke auto aan wie vanaf welke datum ter beschikking wordt gesteld, en wat die auto in totaal kost.
Wilt u bespreken wat dit betekent voor uw bedrijf?
De data, bronnen en analyse achter dit artikel zijn uitgevoerd door Paolo Maria Pavan. AI is niet gebruikt om bronnen te identificeren, de feitelijke basis op te bouwen of het analytische oordeel in dit artikel te vormen. AI is alleen gebruikt als hulpmiddel bij het opstellen. De definitieve Nederlandse tekst is persoonlijk nagekeken, geredigeerd en goedgekeurd door Paolo Maria Pavan voor publicatie.
Bronnen
- Pseudo‑eindheffing voor fossiele leaseauto’s vanaf 2027
- Wettenbank - Statutory scope, rate and vehicle definition
- Rijksoverheid - Official implementation position
- CBS - Vehicle-market baseline and exposure beyond petrol and diesel
- CBS - Cost pressure around business decarbonisation and charging capacity
- Rijksoverheid - Youngtimer interaction and the remaining electric-car tax setting
- Wettenbank
- Belastingdienst
