Een ondernemer ziet de post in de administratie en stelt de terechte vraag. Mag deze buitenlandse digitaledienstenbelasting in de Nederlandse aangifte vennootschapsbelasting worden afgetrokken, of hoort zij niet thuis in de Nederlandse kostengrondslag?
De Kennisgroepen van de Belastingdienst hebben die vraag beantwoord in KG:040:2026:4, gepubliceerd op 7 juli 2026 en bijgewerkt op 8 juli. Het gaat om een belastingplichtige die een buitenlandse Digital Services Tax betaalde en die in een Nederlandse Vpb-aangifte aftrok. De heffing was vormgegeven naar het voorstel van de Europese Commissie uit 2018 voor een Europese digitaledienstenbelasting. Ook kon de heffing in het buitenland niet worden verrekend met inkomstenbelasting of winstbelasting.
Voor die situatie zegt de Belastingdienst dat de buitenlandse DST aftrekbaar is bij de bepaling van de Nederlandse belastbare winst. De heffing valt niet onder de winstbelastingcategorie waarop artikel 10, lid 1, onderdeel e, Wet Vpb 1969 ziet.
Het etiket is niet beslissend
Artikel 10, lid 1, onderdeel e, Wet Vpb 1969 is de poort. Het artikel blokkeert de aftrek van bepaalde winstbelastingen, waaronder buitenlandse belastingen over winst waarvoor voorkoming van dubbele belasting geldt. De Belastingdienst plaatst deze DST buiten die poort omdat de heffing uitgaat van bruto-omzet en niet van winst.
Het EU-model uit 2018 laat zien waarom dat onderscheid ertoe doet. Het voorstel bevatte een heffing van 3 procent over de bruto-omzet uit bepaalde digitale activiteiten die verband hielden met gebruikerswaarde. Het ging om gerichte reclame op digitale interfaces, digitale platforms met meerdere gebruikersgroepen en de doorgifte van gebruikersgegevens die via digitale interfaces waren verzameld.
Aan de omzet waren bovendien hoge drempels verbonden: meer dan €750 miljoen groepsomzet wereldwijd en meer dan €50 miljoen belastbare omzet uit digitale diensten in de EU. Ecofin bereikte in maart 2019 geen akkoord over het voorstel. In latere Nederlandse rapportages over EU-wetgeving werden de onderhandelingen als vastgelopen omschreven.
Dat is relevant omdat het oude voorstel nu als referentie voor de vormgeving dient. Het is geen geldend EU-belastingrecht. Bij een andere buitenlandse DST moet afzonderlijk worden gekeken naar de opzet van de heffing, de verdragstekst, de behandeling van verliezen en de verrekenbaarheid in het buitenland.
Aftrek verlaagt de winst, niet de buitenlandse rekening
Terug aan het bureau van de ondernemer is de kasstroom duidelijker dan het fiscale etiket. Een aftrekbare DST verlaagt de Nederlandse belastbare winst. De buitenlandse belastingrekening blijft intussen gewoon in het buitenland liggen.
Heeft een bv €100.000 aan aftrekbare buitenlandse DST-kosten, dan hangt het Nederlandse Vpb-effect af van de belastbare winst, eventuele verliezen, het tijdstip en de toepasselijke schijf. Uitgaande van de tarieven van de Belastingdienst voor 2026 kan de verlaging €19.000 bedragen in de lage schijf of €25.800 in de hoge schijf. Daarbij wordt verondersteld dat voldoende belastbare winst aanwezig is en dat de aftrek in die schijf valt.
De tegemoetkoming is nuttig, maar bescheiden. Een heffing over bruto-omzet kan stevig aankomen wanneer de marges al dun zijn. De Nederlandse aftrek kan het Nederlandse resultaat verzachten, maar een zwakke marge op de buitenlandse markt niet herstellen.
Ook kleinere digitale ondernemingen kunnen hier indirect mee te maken krijgen. In een platformvergoeding kan een belastinggerelateerde toeslag zitten. Een groepsmaatschappij kan een buitenlandse DST doorbelasten. Een Nederlandse bv kan belastingplichtige zijn, maar ook alleen een commerciële kostenpost dragen die door een ander wordt doorberekend. Dat zijn verschillende situaties en de administratie moet ze uit elkaar houden.
Het dossier moet het fiscale verhaal dragen
Een grootboekrekening met de naam buitenlandse belasting is voor deze kwestie te grof. Bij de maandafsluiting werkt zo’n rekening nog, maar zodra de Vpb-aangifte om een echte kwalificatie vraagt, schiet zij tekort.
De relevante uitsplitsing is concreet. Gaat het om een buitenlandse winstbelasting, een digitale heffing over bruto-omzet, een doorbelasting binnen de groep, een platformtoeslag of een gewone leverancierskostenpost met een fiscaal etiket? Wordt winst of omzet belast? Verminderen verliezen de grondslag? Kan het bedrag in het buitenland worden verrekend met inkomstenbelasting of winstbelasting? Is er een verdragsroute voor voorkoming van dubbele belasting?
Een goed dossier bevat de buitenlandse aanslag, het betalingsbewijs, de wettelijke grondslag, de belastbare grondslag, de positie over de verrekenbaarheid en de boekhoudkundige verwerking. Komt de kostenpost via een doorbelasting binnen, dan moet ook blijken wie de belasting heeft betaald en waarom de Nederlandse vennootschap de kosten draagt.
Dat is praktische beheersing. Zo voorkom je dat dezelfde belastingpost van identiteit verandert tussen grootboek, voorziening, aangifte en een latere vraag van de inspecteur.
Neem het tijdstip mee in de kasplanning
Ook in het kasstroomoverzicht hoort deze kwestie thuis. De meeste vennootschappen die Nederlandse Vpb verschuldigd zijn, krijgen aan het begin van het jaar een voorlopige aanslag op basis van eerdere gegevens. De Belastingdienst biedt de mogelijkheid die aanslag te wijzigen wanneer de verwachte belastbare winst hoger of lager uitvalt.
Voor 2026 loopt dat digitaal via Mijn Belastingdienst Zakelijk, fiscale software of een fiscaal dienstverlener. Papier is niet langer de route voor het aanvragen of wijzigen van een voorlopige Vpb-aanslag over 2026.
Verandert een materiële DST-aftrek de verwachte belastbare winst, dan moeten de managementrapportage, de belastingvoorziening, de Vpb-berekening en de voorlopige aanslag dezelfde kant op bewegen. Ook de belastingrente hoort in die timingdiscussie thuis. De Belastingdienst noemt voor de Vpb vanaf 1 januari 2026 een rentepercentage van 5 procent.
Dramatische fiscale taal is hier niet nodig. Consistentie wel. Dezelfde kwalificatie moet standhouden bij de afsluiting, in de prognose, in de Vpb-aangifte en in het kasplan.
Wat er morgen op de agenda staat
Voor veel micro- en kleine ondernemingen zullen de oude EU-drempels voor de DST ver weg voelen. Terecht. Het voorstel was gericht op grote digitale groepen, niet op de lokale webshop die advertentieruimte inkoopt of een platformvergoeding betaalt.
Toch is de achterliggende werkwijze van KG:040:2026:4 ook voor kleinere ondernemingen nuttig. Digitale kosten gaan over grenzen heen. Belastingachtige toeslagen duiken op leveranciersfacturen op. Platformkosten krijgen meerdere lagen. Doorbelastingen binnen de groep komen binnen met etiketten die de financiële afdeling niet zelf heeft gekozen.
De ondernemer hoeft niet van de ene op de andere dag internationaal belastingexpert te worden. De onderneming moet wel een scherper onderscheid maken tussen belastingen over winst, heffingen over omzet, leverancierskosten en doorbelastingen met een eigen verhaal.
Daarin zit de praktische waarde van het standpunt van de Belastingdienst. Het geeft een duidelijk Nederlands antwoord voor een specifieke, naar EU-DST-model vormgegeven buitenlandse heffing die niet verrekenbaar is. Belangrijker nog: het herinnert ondernemingen eraan dat aftrek begint bij de kwalificatie. Een belastingpost is niet klaar zodra het bedrag is geboekt. Zij is pas klaar wanneer de vormgeving van de heffing, het betaalde bedrag en de Nederlandse Vpb-behandeling zonder wrijving naast elkaar kunnen staan.
Wilt u bespreken wat dit betekent voor uw bedrijf?
De data, bronnen en analyse achter dit artikel zijn uitgevoerd door Linda Pavan. AI is niet gebruikt om bronnen te identificeren, de feitelijke basis op te bouwen of het analytische oordeel in dit artikel te vormen. AI is alleen gebruikt als hulpmiddel bij het opstellen. De definitieve Nederlandse tekst is persoonlijk nagekeken, geredigeerd en goedgekeurd door Linda Pavan voor publicatie.
